Toen Joop Nederpelt (59+) in 1970 Nederlands eerste windsurfer in handen kreeg had hij nooit kunnen vermoeden hoe populair de sport zou worden. Een jaar nadat hij de eerste schreden op het water had gezet werd windsurfen een ongekende hype. Een volkssport zelfs: miljoenen mensen kochten een plank en iedereen wilde er bij horen. Elke omroep, elke krant en elk magazine zag brood in het plankzeilen en Joop stond aan de voorhoede. Als pionier reisde hij de wereld over en behaalde titels op alle kampioenschappen. Maar bovenal was Joop een echte ondernemer en uitvinder binnen de sport. Onlangs verscheen zijn autobiografische boek ‘De wind werd mijn vrind’.

Woord: Mart Kuperij
Beeld: Tot en met ontwerpen, Joop Nederpelt

Het is klokslag één uur als we aanbellen bij Joop in Rijswijk. Al in de hal is zijn liefde voor windsurfen duidelijk waarneembaar: allerhande posters en memorabilia sieren de muren, van hemzelf en van zijn zoon Skir. In de woonkamer naast opnieuw veel windsurfattributen zoals een miniatuur oplegger met zijn Coca-Cola negenmaster ook veel opgezette dieren. Ik struikel bijna over een krokodil die me vanaf de grond met opengesperde bek aankijkt. Joop steekt een sigaret op en de zelfverklaarde ‘ouwehoer eerste klas’ begint met vertellen over hoe hij in contact kwam met windsurfen.

HOE HET BEGON

Hoe hij in aanraking kwam met de sport was eigenlijk puur toeval. In de jaren vijftig was Joop fanatiek worstelaar en in de aanloop naar de Olympische Spelen van Rome in 1960, waarvoor hij genomineerd was, kreeg hij te horen dat hij een sporthart had. Hij werd afgekeurd, miste de Spelen en er werd hem aangeraden een andere sport te kiezen om gedoseerd af te trainen. Het werd windsurfen. ‘Ik was met mijn oud teamgenoot en vriend Anton Geesink op vakantie naar Amerika. Op het strand zagen we een paar man bezig met een soort eerste vorm van windsurfen. Anton was Olympisch kampioen en zo bekend als de pest, dus al gauw kwamen ze naar ons toe om het ons te laten zien. Als je met golfsurfen te hoge breaks had, kwam je er niet goed doorheen. Toen waren ze gaan uitzoeken of ze niet op de een of andere manier met een stok – ja, echt waar – en een lap erop er doorheen konden manoeuvreren. Eenmaal door de branding kon je het hele zaakje weggooien en zo konden ze dan toch de derde of vierde bank pakken. Dus ik vroeg of ze niet zo’n ding naar Nederland op konden sturen. ‘Heb je daar golven dan?’ Ja enorm, soms wel twee meter hoog haha.

‘Na twee jaar, in 1970, kreeg ik zo’n ding toegestuurd, van Jim Drake. En zo is het eigenlijk begonnen. Het board woog 26 kilo, was oranje en gemaakt van polyethyleen. Alleen tijdens het vervoer hier naartoe zaten er al zes, zeven deuken in. Als hij buiten lag ging hij trekken door de zon. Ik was de eerste en enige met een windsurfboard in Nederland. Ten Cate kreeg er kennis van en is toen gaan onderhandelen met Hoyle Schweitzer, een niet zo’n leuke, maar slimme jongen die patent op de windsurfer had aangevraagd. Die heeft de licentie gegeven aan Ten Cate die ze voor Azië en Europa mocht maken. Miljoenen in een paar jaar tijd.’

Het windsurfen bracht Joop op plekken over de hele wereld: van Hawaii tot de Noordzee, van de jungle tot de sneeuw… Als er gesurft werd, was Joop erbij.



WIST JE ÜBERHAUPT WAT JE ERMEE AAN MOEST?

‘Ik wist niks! Ik had een vakantiehuisje in Brielle en daar ging ik maar eens kijken hoe het moest. Ik deed na wat ik in Amerika gezien had, maar dat was ook alweer twee jaar geleden. Ik kon het natuurlijk aan niemand vragen, bij niemand afkijken, er was geen handleiding, niks. Er hing dan zo’n touw aan, en ik had dan wel door dat je daarmee het zeil moest ophalen, maar dan moest je je voet wel weer op de mastvoet zetten, anders trok je die ook weer uit de plank. Na twee maanden kon ik heen en terug.’

WINDSURFEN ALS HYPE

AFGEZIEN VAN HET FEIT DAT JE DE EERSTE WAS, BLEEK JE OOK GOED TE ZIJN.

‘Ik had er wel gevoel voor. En ik was bloedfanatiek. De echte hausse is begonnen in 1971. Een jaar later waren er al veel windsurfers en twee jaar later heel veel. Ten Cate had een fantastisch goede PR-campagne opgezet, heel slim. Iedereen die een plank kocht, kreeg later een nieuwsbulletin opgestuurd. Daar stond precies in wie er een plank had gekocht, met naam en toenaam. Die mensen namen dan weer contact met elkaar op. Op het laatst was het zo erg, als je van hier naar Amsterdam ging, kon je een keer of veertig, vijftig je hand opsteken omdat er weer iemand met zo’n ding op zijn dak reed.’

ZOALS NU MENSEN EEN IPOD HEBBEN, HADDEN MENSEN TOEN EEN WINDSURFPLANK?

‘Je zegt het precies zoals het is. Je moest het hebben anders hoorde je er niet bij. Je had zelfs mensen die kochten alleen een imperiaal, de wereld stond echt op zijn kop. Je had op een gegeven moment vijf surfbladen in Nederland, met elke maand een uitgave. Ten Cate gaf zelf een blad uit, dat had dertigduizend abonnees. Elke omroep, elke krant, elk magazine, iedereen zag er brood in.Veel mensen die inventief waren wilden ervan mee snoepen. De eerste die de hegemonie van Hoyle Schweitzers Windsurfer kon doorbreken was Fred Ostermann, een Duitser. Hij kwam met Windglider. Het patent van Schweitzer was niet meer te houden, hij kon de productie niet eens meer aan. En er was evolutie, alles werd beter, moderner. Langzaam werd aan dat patent geknaagd en kregen steeds meer merken toegang tot het wereldje. In het begin ging dat nog via Schweitzer, die is daar multimiljonair mee geworden. Mistral werd opgericht en dus het Oost-Duitse Windglider. Die hebben het nog goed gedaan, want toen windsurfen Olympisch werd, werd die plank het officiële merk om mee te varen. Op de Spelen in Amerika! Dat was mooi.’

EN LANGZAAM AAN BEGON HET WINDSURFEN OOK JOUW LEVEN OVER TE NEMEN?

‘Ja, dat kun je wel stellen ja. Na die teleurstelling van het worstelen kwam er iets nieuws. Het was een wereld van sportiviteit en verdraagzaamheid. Je moest creatief zijn, ondernemend, je moest aan tegenslag wennen, je moest tegen hele moeilijke omstandigheden kunnen, keiharde wind, kou… die combinatie was zoiets moois!’

Van de eerste windsurfer in Nederland werd Joop ook een van de eerste gesponsorde windsurfers van het land. ‘Op een gegeven moment vroeg Ten Cate of ik wat dingen voor ze kon doen. Dan kreeg je spulletjes en dat was wel handig natuurlijk. Zo’n board kostte toen al zo’n 1200 gulden, dus dat was mooi meegenomen. Ik deed mee aan wedstrijden en zat al snel bij de top van Nederland en daarna ook Europa en de wereld. Ik was in 1976 op de Bahama’s geweest bij de eerste officiële wereldkampioenschappen, daar zag ik Robby Naish ook voor het eerst. Ik voer overigens niet zo goed, maar in ‘78 was het WK in Mexico in Cancún en daar heb ik wel aardig gedraaid. Toen kwam Mistral International uit Zwitserland en die wilden Robby Naish, Charly Messmer en mij hebben. Toen kreeg ik mijn eerste contractje, alles erop en eraan. Mistral deed alles: pakken, kleding, imperiaals, ondergoed, en natuurlijk planken en zeilen in alle maten en soorten. In 1979 ben ik voor ze in dienst gegaan.’

TOEN WAS JE INEENS PRO WINDSURFER.

‘Ja toch?’

WAAR LEEFDE JE DAARVOOR VAN?

‘Ik ben afgestudeerd in de waterbouw, daarna had ik mijn topsportperiode als worstelaar. Ik was altijd heel leergierig, op elke reis nam ik studieboeken mee. Ik ben nog geslaagd als sportinstructeur en heb ook nog een designscholing gevolgd in Amsterdam. Ik heb een tijd voor de klas gestaan als sportleraar, maar daar was ik niet geschikt voor. Ik ben zelfs nog een tijdje eigenaar geweest van een autobedrijf. Op zich niet echt mijn wereldje, maar ik was slim. Ik had allemaal relaties en wist: als je het laat weten, dat scheelt. Dus ik adverteerde in de kranten en binnen een mum van tijd ging ik van 6 man personeel naar 22 man personeel. Maar voor alles wilde ik iets creëren.’Hij loopt weg en komt terug met het eerste model van de Sailorsurf trapeze die hij ontwikkelde in 1976. ‘Dit is het eerste proefmodelletje, dat heb ik nooit weggedaan. Later hebben de spoorwegen nog gebruikgemaakt van dit principe. Binnen een maand had ik trouwens een riem.’ Hij demonstreert het principe van de haak die aan de giekbuis gehaakt wordt, en bij een val automatisch loskoppelt door het touwtje rond de pols. ‘Zo kon je met drie handen surfen. En als je een vlaag kreeg ging je automatisch los. We hebben hem getest op duizend kilo schokken en dat kon ie aan, zo’n stukkie plastic. Mooi toch?’ Het is nu haast niet meer voor te stellen, maar in het begin was de trapeze ten strengste verboden. ‘Het werd gezien als het verprutsen van de windsurfsport, een schande. Je mocht het ook niet gebruiken tijdens de wedstrijden. Je had zo een protest aan je broek en dan ging je eruit, One Design hè, zo streng was dat. Het heeft een paar jaar geduurd voordat het in wedstrijden toegestaan werd. Na het ontwerp met de riem kwamen er hesjes, die zijn verkocht hoor! Het liep als een speer. Er zijn er een paar honderdduizend van verkocht, waarvan honderdduizend in Azië.’

HOE BEKEND WAS JE EIGENLIJK IN DIE TIJD?

‘Ik was wel bekend, maar je moet het niet overdrijven. Het was vooral met die hausse en ik heb natuurlijk een stel van die boekjes geschreven.’ Om het te illustreren loopt Joop naar de kast om er een stapel boekjes uit te halen. Kleine boekjes met een tekening van een windsurfer op de kaft en hoofdstukken met gevleugelde titels als optuigen, besturing, vervoer en wennen aan de plank. ‘Ten Cate verkocht even dertigduizend van die boekjes op de Hiswa. Als je me vraagt wat mijn inkomsten waren, dan hoorde dit er zeker ook bij. Er zijn er meer dan een miljoen van verkocht.’

JE HEBT NOG LESGEGEVEN AAN DE LEDEN VAN HET KONINKLIJK HUIS. HOE WAS DAT?

‘De prinsen Maurits, Bernhard jr. en Pieter Christiaan wilden als echte sportjongens het windsurfen van nabij meemaken. Ik werd gecontacteerd door het secretariaat van de koninklijke familie en na een kennismaking op de worldcup in Scheveningen werden op het Veluwemeer de eerste schreden gezet om het gevecht met de elementen aan te gaan. Maurits viel op omdat hij de durfal was, Bernhard jr. was de slimste en Pieter Christiaan was de theoreticus. De omgang met de prinsen ging soepel, we noemden elkaar bij de voornaam, meestal gewoon Mau of B. Ook prins Claus toonde interesse, prins Willem Alexander had er nooit geen zin in. Na een aantal malen gastheer te zijn geweest voor de prinsen werd ik uitgenodigd op Paleis het Loo en later zelfs nog eens op Paleis Huis ten Bosch bij koningin Beatrix! Ik had wel vijf verschillende stropdassen, overhemden en broeken klaarliggen, hoe zit mijn haar… dat soort dingen gaan er door je heen bij zo’n uitnodiging. Wat moet je zeggen, hoe spreek je de koningin aan? Een niet uit mijn geheugen te wissen middag.’

JE WAS OOK GOEDE VRIENDEN MET ROBBY NAISH EN BEGELEIDDE HEM VAAK ALS HIJ IN EUROPA WAS?

‘Mijn eerste kennismaking met Robby was op het WK op de Bahama’s. Tijdens het invaren zagen we een jong ventje een rail ride maken, het knulletje kon op zijn kant varen! Het bleek de dertienjarige Robby. Hij declasseerde alles en iedereen die al naam gemaakt dacht te hebben in deze sport. De jaren daarna ging ik regelmatig met Robby op trip, ook omdat we beide voor Mistral voeren. Als je het hebt over bekendheid en populariteit dan was Robby echt de overtreffende trap. Negentien jaar lang was hij absoluut onverslaanbaar, onder welke omstandigheden dan ook.’

HEEFT HIJ JE SPORTIEF DWARSGEZETEN?

(Lacht) ‘Als hij er niet was geweest, was ik misschien nog verder geweest. Maar hij was gewoon goed, een wonderkind. Die kon gewoon nog meer, nog idiotere, nog leukere dingen. En het was een heel aimabele knul, altijd geweest, nu nog. We hebben nog steeds regelmatig contact.’

NEGENMASTER

Halverwege de jaren tachtig zette Joop nog eens alles op alles om nog één keer het speedrecord te verbreken. Hij deed het met een wel heel bijzonder ontwerp, naar eigen zeggen ‘een zinkertje van zestien meter dertig’. Deze negenmaster ontwikkelde Joop zelf in de watertank van de Universiteit Delft. ‘Ik had hem in eerste instantie gemaakt voor die speedtrial, om dat record te verbeteren. Ik heb er eerst een met vijf masten gemaakt en toen met negen. En hard ging ie: we braken het record en dat stond echt overal in. De knipseldienst bezorgde ons na een week meer dan vierhonderd publicaties uit heel de wereld, zelfs het internationale Guiness Book of Records besteedde er een hele pagina in. Het was natuurlijk ook een mooi lokkertje, een negenmaster zeilboard.’

Al snel groeide de negenmaster uit tot een ware publiekstrekker. Met een eigen persbureau, dat ervoor zorgde dat er altijd locale pers bij de optredens was. ‘Op een gegeven moment kwam Ado Huisman van Mistral bij me met het bericht dat hij in contact was met de Tros, daar wilde hij ons graag bij hebben. Er werd een filmpje gemaakt van de planerende negenmaster met op elk zeil een letter, bij elkaar TROS PAUZE. Dat filmpje werd vertoond als er wat tijd over was tussen de programma’s. Dat werd een hype. Het is een keer gebeurd dat ze op een zaterdagavond voor en na het journaal dat filmpje uitzonden. Dat was gewoon gepland vanwege de enorme feedback die ze erop kregen. Onvoorstelbaar.’

De hype van de negenmaster beleefde zijn hoogtepunt toen Coca-Cola wat zag in het project. Het werd een megadeal voor meerdere jaren. ‘Ze wilden zo graag, het maakte niet uit wat ik zei, alles was goed. Hoeveel het ook kostte. Voor Mistral was het natuurlijk ook een goede deal, hun logo stond nog gewoon onderin elk zeil. Ik had 400 aanvragen per seizoen, dat was niet te doen. Ik heb twee contracten van drie jaar uitgediend en daarna was het ook over en uit. Dat paste ook in de belangstelling voor het windsurfen, dat nam wat af, en het doel van Coca-Cola was bereikt.’

JE HEBT ER UITEINDELIJK GOED GELD MEE VERDIEND.

‘Ja, maar ik had eerder het plezier dat een idee aansloeg dan dat er soms ook best wel wat geld mee te verdienen was. Dat was allemaal bijzaak, het was gewoon leuk.’

WANNEER IS JE ACTIEVE WINDSURF-CARRIÈRE GEËINDIGD?

‘Toen jonge gastjes me voorbijvlogen ben ik ermee gekapt, zo begin jaren negentig. Daarvoor was het zwaartepunt al wat verschoven naar promotie, al ben ik nog wel lang doorgegaan met speedsurfen en ijssurfen. Afgelopen winter heb ik trouwens ook nog geijssurft. En ik ben nog steeds de houder van het officiële speedrecord op ijs: 102,8 kilometer per uur op Quannapowitt Lake in Amerika.’

JOOP DE DIPLOMAAT

Tegenwoordig heeft Joop meerdere hobby’s om zijn dagen te vullen. Zo heeft hij er onlangs voor gezorgd dat het kiteverbod op het Oostvoornse meer opgeheven werd en is hij bemiddelaar bij de herstructurering voor recreanten bij de Maasvlakte 2, op verzoek van het Rijk. ‘Ze zochten iemand die daarin kon bemiddelen, zodat het rijk niet iedere keer vragen van individuele mensen moet beantwoorden. Dan zit ik met al die groepen mensen te kletsen. Dat is wel leuk, dan heb ik nog eens wat. Ik heb tot nu toe geen een keer een groot meningsverschil gehad met die mensen, ik heb het altijd kunnen sturen. En de reacties zijn goed, alles lukt.’

HET STRATEGISCHE STAAT JE WEL AAN?

‘Ja, en ik hou van aanpakken. Zo las ik ergens een voorstel dat ze het windsurfen op de Olympische Spelen willen inruilen voor het kiten. Ik heb een veel mooier voorstel, ik heb het er al met Robby over gehad, die vond het ook helemaal te gek. We moeten met kiten op de Olympische Winterspelen komen! Dat we met snowboards een koers uitleggen. Dan is het voor het eerst in de geschiedenis van de Olympische wintersport dat er een zeilsport is. Dat is uniek. Ik heb het voorgesteld bij de ISAF (Internationale Zeilfederatie, MK) en het moet nu doorgelobbyd worden zoals zij dat noemen. Het is uniek dat je dadelijk de mogelijkheid zou kunnen hebben dat kiten Olympisch wordt in plaats van dat windsurfen eruit gaat en kiten erin.’

HOE ZIE JIJ DE TOEKOMST VAN HET WINDSURFEN?

‘Ik denk dat het wel goed gaat. Je ziet het op een evenement als The Mission, daar waren 324 deelnemers, dat is nogal wat. Wat je nu ook ziet is dat kiters toch ook gaan windsurfen. Zij willen toch ook eens kijken hoe dat gaat. Ik ga niet overdrijven, maar ik denk toch wel dat het wat overeind krabbelt. Het worden geen tachtiger jaren meer, dat geloof ik niet. Dat was een modeverschijnsel. Het kwam ook door de EO en de NCRV, die vochten erom. Die hielden dan jongeren surfdagen en dan maakten ze twee weken lang iedere dag reclame op TV, dan komen er ook veel mensen op af. Dat is allemaal wat afgevlakt. Maar als je nagaat dat een surfclub als het Jumpteam in Scheveningen meer dan 200 leden heeft en er zelfs een ledenstop is dan gaat het toch best goed.’

DE WIND WERD MIJN VRIND

Onlangs kwam Joops boek ‘De wind werd mijn vrind’ uit, met luchtig beschreven anekdotes en ervaringen uit eerste hand. ‘Jan en alleman vroeg het, moet je je verhaal niet eens opschrijven? Ik heb er natuurlijk de tijd voor, dus ik denk verrek, dat ga ik doen! Die instructieboekjes van vroeger, die deed ik even gauw onder het eten, maar nou moest ik iets groters maken. Weet je hoe ik begonnen ben? ‘We reden met onze blauwe personenauto met op het dak twee surfboards, waarvan een zinkertje en een longboard, kwamen voorbij de bomen waarvan we heel zachtjes de bladeren al zagen bewegen en toen we daar voorbij reden zagen we de schittering op het water, de prachtige golven en we konden ons niet meer inhouden om…’ ik denk ja daag! Dadelijk sta ik op het Boekenbal als ik het zo doe. Donder op, er is toch geen surfer die dat wil lezen? Toen ben ik toch in de ik-vorm begonnen. Ik had het in de derde persoon willen doen, maar dat gaat niet zo makkelijk. Het is gewoon een luchtig boekje, het zijn schitterende verhalen, persoonlijk ook en dan kun je niet eens in de derde persoon schrijven.’

ALS JE NOG ÉÉN ANEKDOTE KON TOEVOEGEN AAN JE BOEK, WAT ZOU HET ZIJN?

‘Tja, daar komt Skir iedere keer mee, dat ik dat vergeten ben. Het is niet zo schokkend hoor. De buurvrouw belde aan. Ik doe open, staat ze met een beker van me in haar handen die ik ergens gewonnen had. ‘Dit is niet goed,’ zegt ze, ‘uw zoon heeft die beker geruild met mijn zoontje voor knikkers!’ Skir had mijn bekers ingeruild voor knikkers! Ik was er vrij nuchter onder, hij had toch wel iets bereikt: hij had nog wel die knikkers, kon ie diezelfde beker bij een andere jongen weer voor knikkers inruilen. Dat deden ze vaak, die rotboeven haha.’

WELKE ROL SPEELT WINDSURFEN MOMENTEEL IN JOUW LEVEN?

‘Het hele windsurfen heeft een stap terug gedaan natuurlijk, dus ook ik qua activiteiten. Zelf kan ik niet meer zo actief zijn natuurlijk, als het windkracht vijf is kan ik niet meer op zee varen. Als ik erin donder ben ik een uur bezig voor ik weer sta, ik kan niet eens een waterstart maken. Ik vaar nog weleens op zo’n binnenplasje, maar dan moet het twintig graden zijn en windkracht vier, want ik wil wel vooruit gaan. Maar ik voel me er zeker nog bij betrokken en word ook nog regelmatig gevraagd om eens bij een wedstrijd te zijn of een avondje te komen kletsen. Windsurfen is zo’n groot onderdeel van mijn leven dat het nooit echt naar de achtergrond zal verschuiven.’