Gilles Calvet heeft de ontdekkingsreis nog voor ogen alsof het gisteren was, in plaats van alweer bijna 25 jaar geleden. In 1992 leidt de nimmer af latende zoektocht naar wind en golven de dan nog piepjonge Fransman naar het zuiden van Madagaskar. Weergaloze wind- en golfstatistieken voor de maanden apri l tot oktober laten er geen twijfel over bestaan: ergens hier moeten windsurfspots van wereldklasse te vinden zijn.

Woord: Leon Jamaer
Beeld: Gilles Calvet

Ongeveer een week lang verblijven ze in Fort Dauphin, waar ze surfen en windsurfen, en in contact komen met een van de meest invloedrijke families van het land in de Indische Oceaan. Tijdens een van de gezamenlijke diners is een mosselvisser van de zuidkust aanwezig. Hij vertelt over de golf vlakbij zijn huis in het vissersdorpje Lavanono die de Franse avonturiers zou kunnen interesseren. Een spot waar de wind over de toppen van de cleane golven scheert, waarna ze netjes gesorteerd breken op het rif. Gilles’ interesse is gewekt. Het duurt vijf dagen voor ze met veel steun van hun nieuw opgedane contacten een expeditie op touw hebben. In twee 4×4 Jeeps volgeladen met water, voedsel, tenten en natuurlijk windsurfspullen zetten ze koers naar het zuiden, zich een weg banend door de weerbarstige begroeiing van het eiland. Na twee dagen rijden bereiken ze Lavanono. ‘Een schot in de roos’, zegt Gilles nu, ‘we waren echt verbijsterd door deze spot!’

Dergelijke ontdekkingen zijn tegenwoordig zeldzaam geworden. De wereld heeft de laatste decennia onder de loep gelegen en zelfs de meest afgelegen uithoek is inmiddels wel bereisd en gefotografeerd. Van Kamchatka in het Russische Verre Oosten tot IJsland, van West-Afrika tot Patagonia – er is nauwelijks nog een strand, baai of rotspunt niet in kaart gebracht en ergens opgenomen in het wereldwijde register genaamd het internet. Gilles beaamt: er is waarschijnlijk nog maar een handvol onontdekte surfspots in de wereld. Maar ook de drang om nieuwe spots te vinden is drastisch afgenomen. ‘In 95 procent van de gevallen als ik een fototrip plan met professionele surfers luidt de eerste vraag: ‘hoe ver is het van het vliegveld naar de spot?’ gelijk gevolgd door ‘hoeveel dagen per week kunnen we varen?’’ Gilles heeft gelijk.

Niet zelden heb ik urenlang zitten twijfelen wat mijn volgende bestemming zou worden. De mogelijkheden zijn eindeloos. Wind van links of rechts, iets aflandig of liever constant crossonshore, grote of toch kleine golven, met of zonder wetsuit, met de auto te bereiken of op een ander continent… het zijn slechts een paar van de vragen die me door het hoofd schieten als ik een plan maak voor een volgende trip. Als de shortlist, waarbij ook de plek om te wonen nog uitvoering overwogen wordt, eenmaal gemaakt is, is het tijd voor intensief vervolgonderzoek met behulp van gespecialiseerde tijdschriften en natuurlijk het internet. Ik check foto’s, video’s en reisverslagen, neem contact op met vrienden die de bestemming al eerder hebben aangedaan en zo komt het voor dat ik tegen de tijd dat ik op de plaats van bestemming aankom bijna het gevoel heb alsof ik thuiskom. Leuk en comfortabel natuurlijk, maar ergens ook wel saai en ontdaan van elke vorm van avontuur. Het onbekende wordt bijna niet meer opgezocht – de tijd van de ontdekkers lijkt te zijn vervlogen en daarmee ook de vlinders in de buik die Gilles en zijn vrienden bij de eerste aanblik van de golf van Lavanono voelden.

In het voorjaar mei krijg ik een belletje van Gilles, die ik een paar jaar geleden bij een event op La Réunion heb leren kennen. Die vrolijke dwarsligger die liever zelf gaat surfen dan dat hij foto’s maakt was ik niet vergeten. Hij is van plan een reis naar het zuiden van Madagaskar te maken. Iets met een golf die hij vele jaren geleden had ontdekt en of ik mee wil. Ik denk na, vraag instinctief naar de reis er naartoe en krijg ‘lang en lastig’ als antwoord. Ik ben zo verdiept in gedachten, dat ik het gezucht aan de andere kant van de lijn nauwelijks hoor. Dan ruik ik de mogelijkheid van een fantastische, zij het tweedehands, ontdekkingsreis en ik zeg toe.

Drie maanden later is het zo ver. We zijn halverwege de zomer en ik snak naar een goede windsurfsessie. Het slechte weer in Duitsland, het gebrek aan wind en een verkoudheid die maar niet over gaat maken me extra gemotiveerd om mijn boardbag in te pakken en Europa te ontsnappen. De laatste dagen voor vertrek zijn hectisch: eerst verhuizen naar een nieuw appartement, dan nog snel even mijn belastingaangifte invullen, en als kers op de taart een berg e-mails afwerken van vertegenwoordigers van automerken die me willen strikken voor hun nieuwe reclamecampagne, waarvoor ze me willen uitbetalen in de nieuwste munteenheid genaamd Facebookreach, wunderbar… We cruisen rustig op een hoogte van tien kilometer als de gezagvoerder me ruw uit mijn dagdroom haalt. We naderen we de evenaar, bedankt voor de info captain. Mijn buurman, ene Thomas Traversa, krijgt hier niets van mee, hij slaapt diep en vast. Het is tijd om alle negatieve gedachten uit en mijn koptelefoon op te zetten, mijn ogen te sluiten en me over te geven aan de voorpret. Niet veel later droom ik over lege lineups, verse vis en een leven in een lagere versnelling.

Een paar uur later landen we in Madagaskar. We brengen de halve dag door in hoofdstad Antananarivo en nemen daarna een vlucht naar Fort Dauphin. Van daaruit rijden we met een 4×4 verder naar het zuiden. Reisleider Gilles blijkt niet te hebben overdreven toen hij ‘lang en lastig’ zei. Misschien is het mijn Duitse inborst, maar van enige structuur lijkt geen sprake te zijn. Het is moeilijk te zeggen of Gilles gewoon geen zin heeft zijn plannen met ons te delen, of dat hij simpelweg geen plan heeft. Ik ben in elk geval blij als we iets na het invallen van de duisternis een plek vinden om te overnachten.

De volgende dag zijn we al vroeg weer op pad. We zijn nog ver van onze uiteindelijke bestemming en ik ben echt overweldigd door dit land. Deze ‘nieuwe wereld’ laat zoveel indrukken los op mijn synapsen dat ik letterlijk overspoeld word. Langs de route staren de locals ons konvooi na. Zelfs in de middle of nowhere zijn er altijd mensen op straat die hun waar aanprijzen, handelen, andere mensen of dieren vervoeren, lopen, zitten, rijden, spelen en discussiëren. Velen van hen zwaaien als we langsrijden. Soms met een lach op hun gezicht, soms met een serieuze blik die hun dagelijkse bestaan weerspiegeld, zo lijkt het. Met een gemiddelde snelheid van 25 kilometer per uur gaan we verder. Het landschap wordt droger en onherbergzamer; mensen en vee komen steeds dunner en meer uitgehongerd over. Als we een grote, uitgedroogde rivier oversteken zie ik een groepje vrouwen die de laatste restjes water gebruiken om hun kleren te wassen. Ik realiseer me dat mijn first world problems een ver van mijn bed show zijn voor de mensen hier, die het echt zwaar lijken te hebben.

Na tweeënhalve dag reizen komen we aan in Lavanono, en Gilles heeft niet gelogen: vanaf de heuvel die uitkijkt over het kleine dorpje, dat niet meer is dan een verzameling hutjes gegroepeerd rond een kerk, een school en een winkeltje, zien we een cleane masthoge golf op het rif slaan; 30 knopen wind doet het zand stuiven. Ik kan niet wachten de golf van dichtbij te zien, en we haasten ons de laatste paar kilometer richting het water. Nog geen uur later beleven we tussen de golven onze vuurdoop. Onder toeziend oog van de lokale vissers en vooral veel kinderen varen we tot de wind te aflandig en vlagerig wordt. De vermoeidheid van de reis is verruild voor de vermoeidheid van een heerlijke windsurfsessie en ik dank Gilles op mijn blote knieën dat hij me gebeld heeft voor dit nu al wonderlijke avontuur.

De volgende dagen voltrekken zich volgens een vast schema: we staan om zes uur ’s ochtends op, gaan golfrijden op een van de spots rond het dorp, komen terug om te ontbijten en gaan dan nog een keer golfrijden. Na het middageten begint de wind op te komen, zodat we tegen 12 of 1 uur ons windsurfmateriaal pakken, dat opgetuigd naast de lodge ligt. We windsurfen tot de wind tegen 5 of 6 uur ’s middags te aflandig en vlagerig wordt. Bij terugkomst eten we vers gevangen vis en om 9 uur ’s avonds gaat de stroomgenerator uit en is het bedtijd. Een simplistische luxe van eten, surfen, windsurfen en slapen, zonder invloeden van buitenaf.

Net als ons leven, speelt ook dat van de Antandroy, zoals het volk dat hier woont genoemd wordt, zich af rond de zee. Voor hen is de oceaan zowel inkomsten- als voedingsbron – ons dient ze vooral voor de instandhouding van onze dopamine en serotoninehuishouding. Terwijl de mannen elke ochtend met hun kleine kano’s met geïmproviseerde zeiltjes de zee op gaan om te vissen, varen wij uit op zoek naar mooie bottomturns en off-the-lips. En hoewel onze beweegredenen zo wezenlijk verschillen, lijkt het alsof de Antandroy onze toewijding wel kunnen waarderen. Het duurt niet lang voordat een paar kids ons na beginnen te doen met oude overgebleven golfsurfboardjes, houten planken of wat maar wil drijven. Het maakt dat de sfeer ondanks het toch niet gemakkelijke lot van de bevolking ontspannen en gastvrij is.

Na ongeveer een week neemt de tot dan toe constante wind afscheid van ons, en ergens komt het ons best goed uit. Thomas, wiens lichaam bedekt is met vlooienbeten, heeft namelijk zijn tweede nacht doorgebracht op het toilet en ook Gilles is geveld door buikgriep. Het lijkt erop dat het gebrek aan slaap dat hierbij komt kijken de nodige paranoia heeft opgewekt: Gilles beschuldigt onze kokkin ervan hem te hebben vergiftigd, omdat hij de laatste paar dagen steeds te laat gekomen is voor het avondeten. ‘Het gebeurt vaker in Madagaskar’, schuimt hij, ‘dat koks hun klanten opzettelijk vergiftigen!’ Een uitbraak van een griepvirus dat net het zuiden van het eiland treft is waarschijnlijk een meer waarschijnlijke oorzaak, maar echt puf om er met Gilles over te discussiëren heb ik niet, ik heb andere symptomen. Ik ben al twee dagen niet naar de wc geweest en heb er ook nog een flinke koorts bij gekregen. Anderhalve week in onze trip heeft onze bungalow wat weg van een ziekenhuis: paracetamol wordt uitgewisseld tegen norittabletten, zinkcrème tegen Imodium.

Ik vertrouw vooral op mijn ui-knoflook-gemberthee om me weer terug op de been te helpen, al krijg ik hem maar met moeite weg. Terwijl Thomas en Gilles na een paar dagen weer fit zijn heb ik na meer dan een week nog steeds klachten en nauwelijks genoeg kracht om me richting het eten te slepen. Ik denk er zelfs over om eerder terug te gaan – een paar dagen na de geplande terugkeer begint de World Cup in Denemarken en ik zie niet hoe ik op tijd fit ga zijn – maar logistiek is het bijna onmogelijk. Alleen al de volgende stad ligt op acht uur rijden.

Zo lijkt dit avontuur als een nachtkaars uit te gaan. Zwetend en ijlend schieten de gedachten als bliksemflitsen door mijn hoofd. Even ten oosten van Madagaskar ligt surfparadijs Mauritius met meer constante omstandigheden, een half zo lange reis en westerse resorts. Waarom heb ik niet gewoon de makkelijkste weg gekozen, en een aanbieding geboekt via het reisbureau?! Gelukkig komt aan deze nare tijd abrupt een einde als ik een antibioticum krijg van een stel reizigers dat toevallig langs Lavanono komt; het slaat direct aan en ik zie het leven weer van de zonnige kant. Op halve kracht geniet ik de paar overgebleven dagen nog van alles wat Lavanono te bieden heeft, totdat het tijd is om onze tassen te pakken voor de lange reis naar huis.

Terwijl de Jeep zich met een slakkengang door het ruige landschap vecht, schieten beelden van de laatste weken door mijn hoofd. De uitstekende zeil- en visvaardigheden van de Antandroy, die met hun kano’s uitzonderlijk nauwkeurig en snel door de zee glijden. Of de kinderen die in een steeds smaller wordende cirkel zwemmen en daarbij op het water slaan om scholen vissen in het net te drijven, of mijn spullen na een surfsessie dansend en zingend terug naar het strand dragen.

Mooi waren ook de avonden zonder afleiding van sociale media, gevuld met gesprekken over de verschillen tussen de Duitse en de Franse politiek, de voors en tegens van foilwindsurfen of Thomas’ Thermomixer die zijn soepkookskills naar een nieuw niveau heeft getild. De verhalen van Gilles over zijn vader die zeevaarder was en hoe hij als kind op zeiltochten altijd de opdracht kreeg de routes te checken en op zeekaarten op zoek te gaan naar ankerplaatsen in baaitjes voor de kust. ‘Dat is een van de redenen dat ik elke reis op een andere manier plan en nooit twee keer dezelfde route neem’, zei hij. ‘Weet je: na een paar jaar herinnert sowieso niemand zich meer zijn honderdste bottomturn of aerial. Het zijn de verhalen van gebeurtenissen onderweg, de dingen die mis gingen, waar mijn kinderen naar vragen als ik terugkom van een surftrip. En dat is ook wat ik me zelf na al die jaren nog het meest levendig kan herinneren.’ Ikzelf herinner me vooral de vuurrode zonsondergangen en bijna opzichtig glinsterende sterrenhemel. De plant- en boomsoorten die ik nooit eerder had gezien en die eerder in het tijdperk van de dinosaurussen lijken te passen. Terwijl we door de dichtbegroeide bush rijden stel ik me voor hoe de pas 300 jaar geleden uitgestorven olifantsvogel, die met zijn hoogte van 3,6 meter ‘s werelds grootste vogel moet zijn geweest, door de valleien van Madagaskar moet hebben gewandeld.

Als we inchecken in Fort Dauphin voor onze vlucht naar Parijs zijn we allemaal een geweldige ervaring rijker, en ben ik mijn ziekte van de week ervoor alweer bijna vergeten. In plaats daarvan heb ik enorme zin in nieuwe avonturen, al weet ik dat de manier waarop ze tot stand komen vaak letterlijk hobbelig is.


Dit artikel is afkomstig uit Motion #2 van 2017. Wil je meer lezen over surfen in Madagaskar? Bestel ‘m dan snel in de SOUL Webshop of neem een abonnement en kies ervoor om dit magazine ook te ontvangen. Met een abonnement op Motion geniet je naast het laatste nieuws, de vetste trips en beste gear als eerste op je mat van nog meer voordelen, dus check snel onze abonnee-pagina!