Het begon onschuldig, al rook de bar naar dode gnoe. Het was mijn verjaardag en we waren aan het feesten samen met mijn oude universiteitskamergenootje Dave en zijn broer die net afgestudeerd was op Harvard. We vonden onszelf terug in een bar met een surreële vibe, alsof hij ingericht was door een stierenvechter, een LSD-junkie en Tony Montana. Een soort psychedelische ‘bolero meets druglord chique’, ongetwijfeld helemaal hot in 1984 maar inmiddels iets over de datum – en hoog toe aan een schoonmaakbeurt. De roodfl uwelen muren waren verschoten en zaten vol vlekken, de opgezette stierenkop aan de muur had al zijn vacht verloren, lukraak verspreid over de bar hingen opzichtige Mexicaanse stierenvechtschilderijen terwijl een verzameling zwaarden en een piratenvlag het geheel nog een wat bizarder tintje gaf. En dan was er natuurlijk nog de stank.

Woord: Eric Berentsen Beeld: Kevin Pritchard

Twee beschonken types liepen de tent binnen en zetten zich naast ons aan de bar. Op dreef als we waren besloten we ze een rondje te geven. Van één kwam twee en zoals zo vaak: van twee kwam drie. We hadden lol. Toen ons tijdelijk oponthoud tot een einde kwam besloten we de stinkende omhelzing van deze waterplek achter ons te laten en de warme omhelzing van de Hawaiiaanse nacht op te zoeken. Eenmaal buiten werden we opgeschrikt door iemand die aan het schreeuwen was. ‘Hey!! Hey you!! Yeah, you with the blue shirt!! You *%#! why don’t you come over here and $#^& my *&^@?’ Ik keek om en zag tot mijn schrik dat het onze twee nieuwe vrienden waren. Mijn vrouw en dochters zouden niet heel erg vrolijk worden van zijn opmerkingen, bedacht ik me, niet heel erg charmant. Terwijl ik omlaag keek zag ik twee blauwe strepen op mijn shirt staan. What the hell?! Hadden ze het tegen mij? Hadden we ze zojuist niet een paar rondjes gegeven? Het was goddomme mijn verjaardag!

 

Er brak iets in me, en de woesteling kwam naar buiten. Het volgende moment sprint ik richting de stoep om met een superman-achtige sprong – geen cape – op de bron van de beledigende opmerkingen af te schieten. Vlam, erboven op, rollend over het asfalt van de parkeerplaats. Al slaand krabbelen we op, mijn tegenstander mist faliekant terwijl ik retourneer met een paar hopeloos belabberde vuistslagen; meer Laurel and Hardy dan Ali vs. Frazier. We cirkelen over de parkeerplaats en uit mijn ooghoek zie ik dat ‘nieuwe vriend’ nummer twee intussen zijn arm over Dave’s schouder heeft geslagen. ‘I don’t know what the problem is,’ brabbelt hij, ‘I really like you guys!’ Ondertussen speelt Dave de rol van coach en assistent. ‘Handen hoog, handen hoog!’, terwijl wij het gevecht doortrekken naar een lammig partijtje worstelen. Dan, als uit het niets, heeft zuiplap nummer 1 het gehad en roept hij door zijn gebroken, bloedige lippen heen ‘okay, okay’ en geeft op. We trekken opnieuw de nacht in, opgetogen en zegevierend; de alcohol verzacht te pijn. Dave wijst naar zijn broer de advocaat – met strak naar achter gekamd zwart haar en een helder blauw poloshirt. ‘Dude, zegt hij vermanend, ik denk dat ze hem bedoelden. ‘Shit,’ denk ik, en gooi het op de opruiende oorlogsgeuren in de kroeg. Toch… misschien geen slecht idee om even een tijdje buiten de stad door te brengen.

Alsof het zo had moeten zijn, krijg ik de volgende ochtend een bericht van mijn maat Keith Teboul. ‘The swell models are off the charts. Radar has gone from purple to black. It’s on! We leave at 6:30 tonight.’ Blij om de ietwat snode gebeurtenissen van afgelopen nacht achter me te laten pak ik verwoed mijn koffers en na mijn vrouw de ‘Echtgenote van het Jaar trofee’ te hebben gegeven, kus ik mijn dochtertjes gedag en rijd ik naar het vliegveld. Aangekomen zie ik dat Keith een cast van allstar rippers heeft samengesteld. Marcilio ‘Brawzinho’ Browne, Kevin Pritchard, wereldkampioen longboarden Zach Howard, Billabong fenomeen Ian Gentil en natuurlijk de zenmeester zelf, Keith Teboul. Op de Marshalls wacht nog Bernd Roediger, de kersverse – zeventien jaar oude – winnaar van de Maui Makani Classic. Hij zit sinds vier weken ‘vast’ op het eiland, hoewel dit oponthoud mogelijkerwijs te maken heeft met een jonge dame – Martin Daly’s dochter. Maar laat Martin het niet weten, het zou Bernds levensduur ernstig in gevaar kunnen brengen.

6

 

De Marshalleilanden zijn een groep atollen op vijf uur van Oahu, zeven graden ten noorden van de evenaar. Hoewel de Marshalls een oppervlakte van slechte 181 vierkante kilometer beslaan, is het oppervlak aan onontgonnen golven vele malen groter, een nog onaangeboorde natte droom. De eilanden zijn vernoemd naar de Britse kapitein John Marshall, die er in 1788 voet aan wal zette; Martin Daly ontdekte dit vergeten en over het hoofd geziene juweel tijdens de Quiksilver Crossing en was zo betoverd door haar ongerepte schoonheid en het potentieel dat hij zijn biezen pakte in Sumatra om zich geheel te concentreren op de creatie van een paradijs voor watermannen. Een plek zonder crowds, hotels, kampeerplekken, toeristen of vervuiling. Een nirvana, zoals hij ook de eerste golf noemde die hij surfte. Het was letterlijk het meest ongerepte stukje oceaan dat hij ooit gezien had. En geloof me, deze man heeft het een en ander aan zout water gezien. Zo racete hij onlangs nog in zijn eentje met een 45 foot Sea Ray speedboot van Perth naar Ailinglaplap (5.800 zeemijlen), een tocht waarbij de meeste sterfelijke mensen ineenkrimpen als ze er alleen al aan denken. Martin deed er 47 dagen over, om eenmaal aangekomen op de vraag hoe zijn reis verlopen was enthousiast te antwoorden: ‘Geweldig, ik wou dat het langer was!’ Dat is de reden waarom we hier zijn. Dat is de reden waarom dit avontuur mogelijk is. Martin had de moed, de hersenen en de diepe honger om het mogelijk te maken. Daarom staan we nu op het punt om een aantal ernstig zieke golven te oogsten.

We landen in Majuro op een strookje land van niet meer dan 200 meter breed. Een vingervormig eiland slingert omhoog in een langzame boog: de buitenste ring van het atol die een enorme lagune omringt, geladen met een vloot van vissersschepen. Op de luchthaven hangt een kleurrijke bord boven de bagageband met daarop geschilderd de begroeting ‘yokwe’. Het is het Marshallse woord voor hallo, en letterlijk vertaald betekent het ‘je bent een regenboog’. De inwoners zijn de aardigste, vriendelijkste en meest vrijgevige mensen op aarde, en zoals de meeste inheemse volkeren, zijn ze koninklijk genaaid. De Marshalleilanden biedt de tweede rijkste tonijnpopulatie in de wereld en meedogenloze vissersvloten met gigantische nylon netten van soms wel twee kilometer groot – illegaal in de meeste andere delen van de wereld – uit Taiwan, China, Zuid-Korea en de US zuigen de oceaan leeg van tonijn, om de dode bijvangst – schildpadden, haaien, dolfijnen, marlijn en meer – weer te dumpen. Een tragisch verhaal.

De Marshalleilanden heeft misschien wel de minst betrouwbare luchtvaartmaatschappij ter wereld – vandaar ook haar treffende bijnaam ‘Air Maybe’ – dus we kiezen voor de boot om de 160 mijl lange oversteek naar het Ailinglaplap atol te maken. Met een berg surfspullen stappen we op de HMS Windward, 22 vaaruren liggen voor ons. Martin heeft een 99-jarige huurovereenkomst gesloten voor Beran Island, waar hij een kade heeft gebouwd met een enorme bungalow waarvan de eerste verdieping vol staat met speelgoed. Twee gloednieuwe jetski’s, golfsurfboards in alle soorten en maten, bergen masten en gieken en een hele rits Quatro boards en Goya zeilen. Een quad zorgt voor vervoer tussen huis en kade. De jongens hebben allen hun eigen materiaal meegenomen – ze zullen het uiteindelijk toch allemaal in stukjes achterlaten. Overal zijn er golven, van het speelse Nirvana tot het zwaardere en bonkende Amnesia en het onder de waterlijn brekende, voortbaggerende Maybes. Als ik Martin vraag waarom hij de golf Maybes heeft genoemd antwoordt hij doodleuk: ‘Misschien overleef je het, misschien niet.’ Een stuk verderop loopt een lefthander genaamd Lucky Larry’s. Voorbij de channel dendert een tow-in kolos van een righthander die doorgaat als Creepy Kevin’s. Vlak bij de pier krult een speels bommetje genaamd Walker World. In de wijde omgeving is geen mens te bekennen. Het is echt een stukje hemel, het nirvana.

Maar eerst de oversteek. De opwinding van onze nieuwe omgeving neemt snel af terwijl de sereniteit en de tropische landschappen plaatsmaken voor groene gezichten en een ernstige omgekeerde peristaltiek. Degenen met ervaring sluiten zich op in hun kooien en proberen te slapen, aangesloten op iPods of laptops. De rest hunkert naar frisse lucht en een uitzicht op de horizon, maar het eindeloze rollen gecombineerd met de geur van diesel is helaas verre van verzachtend. Uiteraard roept Martin dat we allemaal een stelletje mietjes zijn. Wacht maar Martin, als de swell aankomt zal je ongelijk bewezen worden.

 

Na een slopende nacht komen we vroeg in de ochtend eindelijk aan bij Martins eiland. Iedereen snakt naar vaste grond onder de voeten, en binnen enkele minuten is de misselijkheid verdwenen, zijn alle ongemakken vergeten en voelen we ons als overwinnaars. De swellkaarten zijn bont en blauw en de jongens zijn in een staat van extase. Woest worden de tassen uitgepakt, vinnen gesorteerd en ingeschroefd, boards gewaxt en wordt alles op de Sea Ray geladen. We staan op het punt om een aantal serieuze golven te rijden. De bende staat zo te popelen om het water op te gaan dat ze afzien van het ontbijt en besluiten om het naderhand te laten brengen door een kleiner bootje, tin boat genaamd. 22 uur op zee, overgeven en groen – maar geen tijd voor het ontbijt. De swell is in aankomst, surfen heeft de prioriteit.

We varen naar Maybes, een ritje van 45 minuten. Er hangt een spanning in de lucht, de anticipatie is tastbaar, het gevoel elektrisch. Van afstand is een formatie van lijnen in het water te zien, corduroy tot aan de horizon, en als we aankomen gaat het af, explosief. Een set van 10 voet rolt naar binnen, een triple overhead beest zonder einde – en iemand zegt: ‘Holy shit, dat is een zeemonster!’ De golf breekt top to bottom met zo’n intense kracht dat hij zichzelf opslokt voordat hij losbarst in een verpulverende explosie die langs het rif ratelt in een draaikolk van kracht en woede. Een lust voor het oog, moeder natuur in al haar brute glorie. Zach en Ian zijn al in het water nog voordat het anker uitgegooid is, ze peddelen recht op het rif af en positioneren zich diep. ‘Hmm,’ zegt Martin, ‘dat is een goede honderd meter dieper dan Slater de vorige keer zat.’ Het biedt stof tot nadenken. De rest van de bemanning is aan het grabbelen, zeilen worden opgetuigd, zonnebrand opgesmeerd en de swell is aan het pompen. Zach en Ian krijgen tube rides van tien seconden. Ze verdwijnen in en schieten uit een sneeuwstorm van mist, grijnzend van oor tot oor – en peddelen direct terug voor meer.

En dan wordt het echt interessant. En bloederig. Bernd vaart als een bezetene, hij raakt de lip extreem laat, airdropt de pit in om met roekeloze overgave weer recht terug de golf op te turnen. Hij lijkt zijn tijd hier op het eiland goed besteed te hebben. De golf vervormt en vouwt en al snel wordt de kleine krullenbol verslonden door een masthoge wildwaterbaan. Gebroken giek, gebroken mast, versnipperd zeil. En dan Brawzinho. Op het land is de Braziliaan een van de meest nederige, relaxte kerels die ik ken, op het water hij is simpelweg een beest. De kracht en het gemak waarmee hij op elke golf weer uithaalt doen vermoeden dat het een klein dagje Baby Beach op Maui is en niet een golf waarbij je soms overleeft, soms niet… Maar ook hij wordt al snel overspoeld door een meedogenloze muur van kolkend schuim dat zijn zeil aan flarden laat, zijn mast knapt, zijn giek toast, en zijn been ruw in contact brengt met het Micronesische rif. Keith is een en al stijl en gratie, surfy en smooth beschildert hij elke golf als een vers canvas, met ontketende stortvloeden van spray. Kevin is absoluut aan het rippen, met zijn kenmerkende fullspeed laydown bottomturns waarbij hij de top van zijn zeil even uitdagend in het gezicht van de golf prikt. Honend met zelfmoord lanceert hij zich in enorme aerials boven het ondiepe rif, en dat met de rustige zekerheid van iemand die op een zondagse wandeling is. Ervaring wint het van de jeugdige onbezonnenheid: Kev en Keith zijn de enige twee die ongedeerd uit de strijd komen.

De strijd gaat door totdat het tij te laag is en het rif droogtrekt. Op het dek ligt een berg gebroken spullen met hier en daar een streep bloed. De EHBO-kit is zo goed als opgebruikt, Zach is erin geslaagd het topje van zijn teen te snijden

maar heeft een manier gevonden om hem er weer aan te lijmen. Na al dit geweld en gehaast hebben we ineens alle tijd van de wereld, en we volgen de buitenkant van het rif terug naar Beran. De lucht is zwaar met zout en licht van euforie terwijl de avond zich om ons heen wikkelt. Ondanks het subtiele bloedbad heeft iedereen een grote smile op zijn gezicht; uitgeput en klaar voor een nieuwe dag die meer van hetzelfde zal brengen. De swell is wat afgenomen, maar wordt ook cleaner. De zeemonsters steken wat minder vaak hun kop op, maar het gaat nog steeds af en ons eskader van allstars is nog steeds aan het rippen.

Wanneer de deining daalt tot double overhead besluit de crew voor een dagje spelen op Amnesia te gaan, waar ze golven en glimlachen delen totdat de hel losbreekt. Martin begint te schreeuwen en te zwaaien en we begrijpen gelijk dat er een haai in de line-up zwemt. Iedereen rept zich naar de Sea Ray en het water kolkt van onze razernij, waarin overigens geen haai te zien is, terwijl we als bonus ook nog het bericht krijgen van Air Maybe dat onze vlucht vier uur vroeger vertrekt dan gepland. Het gehaaste uitpakproces van een paar dagen eerder herhaalt zich in omgekeerde volgorde, behalve voor Keith en Ian, die een dag later vertrekken, misschien dan… We razen fullspeed naar het vliegveld en voor het eerst deze trip zie ik bedrukte gezichten, terwijl we door de lagune blazen. Opeens wordt de stilte onderbroken door een ‘Mayday, mayday, tin boat to Sea Ray, tin boat to Sea Ray.’ ‘Searay to tin boat, go ahead.’ ‘Engine has quit, we are adrift, over.’ Shit shit shit shit shit! Martin gooit de boot in een enorme turn en we houden ons vast voor ons leven. Ian heeft zijn board gebroken en Andy de Indonesische schipper neemt hem terug naar Beran om een nieuwe te gaan halen. Terwijl ze door het kanaal van Amnesia varen – buiten het rif om – houdt de motor het voor gezien. Ze proberen hem aan de praat te krijgen maar komen erachter dat de brandstofleiding verstopt is geraakt. Ondertussen duwt de swell ze gevaarlijk dicht naar het rif toe. Ian besluit overboord te springen om met een touw om zijn pols de boot naar open zee te zwemmen en te zorgen dat boot niet op het rif gekwakt wordt. Ian is een top surfer, zeventien jaar oud en elke dag op het water, maar het is een Sisyfusarbeid. De oceaan wint altijd, deze keer vormt geen uitzondering, het is slechts een kwestie van tijd. Ian doet wat hij kan om de boeg in het schuim te houden en de kleine tin boat blijft geruime tijd uit de klauwen van de golven, tot een enorme golf verschijnt, iets meer uit het westen, die de boeg naar bakboord slaat. Dit blijkt alles wat nodig is: de boot wordt opgetild en gaat genadeloos de lucht in. Al snel kan Andy zich alleen nog vasthouden aan de boeg en kijkt hij niet langer naar de dansende horizon, maar naar de ononderbroken helderblauwe hemel. Hij weet dat hij gespoeld gaat worden en is doodsbang.

13

Maar hij wordt niet gespoeld. De boot spint een vlekkeloze 180, bokt en stuitert over het schuim, surft over meedogenloos koraal, klaar om de boot aan stukken te scheuren. We spotten ze met onze verrekijker en gooien het anker uit, ik spring in het water om ze te helpen de boot in de ondiepe lagune te slepen. Ian lacht. Andy is zichtbaar geschokt, hij dacht dat ‘ie eraan ging. Mindere mannen zouden het schip allang verlaten hebben, maar Andy heeft gehandeld als een echte kapitein: bereid met zijn schip ten onder te gaan. Gek genoeg is alles intact: botten, boot en ego, slechts de brandstofleiding is kapot. Alleen Martin kan dit dilemma verhelpen, een kleine vijf minuten later spint de motor weer als een tevreden kat. Er is maar één echte kapitein…

Terwijl Martin de ene helft van de crew richting het vliegveld racet, hebben wij nog een nacht op het eiland voor ook wij de Marshalls gedag moeten zeggen. We gaan voor een laatste sessie op Nirvana. Ze moeten me letterlijk het water uittrekken, en als we wegvaren blik ik terug op peeling headhigh golven, 300 meter van kristallen, glasheldere perfectie. Helemaal leeg. Het soort golven waar ieder van ons altijd over heeft gedroomd, en geen mens op het water. Waar het allemaal om gaat: het pure soul surfing. Ehm, wacht. Wat zeg ik? Ga niet naar de Marshalleilanden. Het water is koud, het bier is warm, het is er super crowded. Verschrikkelijke branding. Geen wind. Geen vis. Troebel water. Oh, en had ik al gezegd dat het er ruikt naar dode gnoe?

Dit is een artikel uit Motion #4 2013. De gehele uitgave is beschikbaar in onze webshop.

Wordt abonnee en mis niks!