In 5 stappen sneller op de 10-seconden run.

Bij de revival van het speedsurfen een paar jaar geleden, zei Björn Dunkerbeck het al: ‘70 kilometertjes per uur voelt als lekker cruisen.’ Dat geldt inmiddels voor vele speedverslaafden, maar zeker niet voor iedereen. Veel enthousiaste freeriders met een GPS om hun arm lijken tegen een soort snelheidsbarrière aan te lopen. Nieuw materiaal kopen of nog meer risico in de speedrun nemen is een optie. Maar je tactiek nog eens goed tegen het licht houden kan vaak meer opleveren dan je denkt.

Tekst: Peter Heida
Foto’s: Jasper Lensselink, Tot en met ontwerpen, Victor Couto, Jörg Sonntag, Mart Kuperij

GPS speedsurfen is al een paar jaar een hit. De hype ontstond in Nederland en is inmiddels wereldwijd doorgebroken. Het recept is eenvoudig: je hangt een GPS om je arm, gaat varen en checkt je snelheid. Voor de liefhebbers is er dan nog de uitgebreide website www.gpsspeedsurfing.com waar je aan het eind van de surfdag vermoeid maar voldaan je trackfile kunt uploaden. Zo kun je je prestatie met anderen vergelijken en in de ranglijst terecht te komen.

Competitiedrang en de vergelijking met andere surfers heeft velen al doen bezwijken voor deze low profile competitie. In de jacht op verbetering van persoonlijke records of locatierecords wordt geen middel geschuwd. Er wordt lustig geïnvesteerd in nieuw materiaal, bij stormwaarschuwingen worden massaal vrije dagen opgenomen en menig giek is al gesneuveld tijdens de vele ultieme pogingen om net dat knoopje harder te gaan.

Eerlijk is eerlijk: materiaal, lef en toewijding zijn belangrijke onderdelen om je snelheden op te krikken, maar een heel belangrijk onderdeel ontbreekt nog in dit rijtje: tactiek. Het varen van een speedrun is inmiddels meer geworden dan domme krachtpatserij. Waar het bij slalomsurfen of speedsurfen op een 500 meterbaan vaak gaat om trim, kracht en uithoudingsvermogen valt bij GPS speedsurfen bijzonder veel winst te behalen bij het tactisch uitzoeken van het moment van de run, de juiste koers en de keuze van het materiaal. Hieronder volgt een aantal tips die je over het dode punt heen kunnen helpen en tevens erg handig zijn bij deelname aan een Ultimate Speed Meeting.

Kies je koers.
Het varen van de juiste koers is misschien wel het meest essentiële onderdeel van een goede GPS speedrun. Hier valt voor veel mensen erg veel winst te behalen. Veel speedies blijven, zonder dat ze het in de gaten hebben, te veel halve wind varen terwijl de echte cracks zich vanaf die koers nog verder downwind laten ‘afschieten’. Het grote voordeel van GPS speedsurfen is dat je zelf je baan kunt kiezen en niet gebonden bent aan een verplichte koers die bepaald wordt door boeien, een strekdam of een stuk strand. Het enige criterium is dat je een run van 10 seconden afgelegd moet hebben en je mag zelf kiezen waar en wanneer je dat doet. Doe er je voordeel mee!

Het kiezen van de goede koers moet je leren. Het is een kwestie van aanvoelen. Het is een samenspel tussen de druk die je zeil opbouwt en de diepte van de koers die je kunt varen. Hoe ruimer je kunt steken, hoe minder weerstand je zeil heeft, hoe sneller je gaat. Maar om een ruimwindse koers te kunnen varen heb je wel voldoende druk in je zeil nodig. Ga je te snel ruime wind varen dan verlies je de druk in je zeil en zul je langzamer gaan in plaats van sneller. Blijf je te veel halve wind varen dan heb je wel veel druk in je zeil maar mis je de extra acceleratie die je kunt krijgen door net even dieper te steken. Het is een interessante oefening om uit te proberen hoe ruim je kunt varen. Voldoende aanvangssnelheid voordat je je setje ruim gooit is in ieder geval van groot belang – net als uitkijken voor andere windsurfers overigens.

Meer snelheid in 5 stappen.
Het recept voor een goede run:
Stap 1: Je vaart halve wind en zorgt dat je voldoende druk opbouwt.
Stap 2: Op het moment dat je voor je gevoel je maximale snelheid halve wind hebt bereikt, check je of je een vlaag ziet. Die vlaag moet in ieder geval de komende paar honderd meter genoeg zijn om je 10-seconden-run te maken.
Stap 3: Zodra je een goede vlaag voor je ziet aankomen kies je voor een iets ruimere koers. Niet te abrupt, want dan verlies je te snel de druk in je zeil.
Stap 4: Je board accelereert verder. Als je merkt dat je nog flinke druk hebt ga je op zoek naar de maximale hoek: je stuurt je board nog wat dieper.
Stap 5: Op het moment dat je merkt dat de druk in je zeil afneemt, stuur je hem iets minder ruim. Dat is de ideale koers op dit moment. Go for it.

Een run duurt veel langer dan 10 seconden.
De GPS rankings zijn gebaseerd op het gemiddelde van 5 runs die elk 10 seconden moeten duren. Maar om een goede run van 10 seconden neer te zetten zul je uiteraard een veel langere rak moeten maken. Allereerst is een goede aanloopsnelheid van groot belang, dat kost ook tijd. Met maximale snelheid je run ingaan vergroot de kans op een topsnelheid. Versnellen en dooraccelereren is eigenlijk het toverwoord. Het is makkelijker om van 60 km per uur halve wind door te accelereren naar 75 km per uur ruime wind, dan je ruimwindse speedrun te starten met een aanvangsnelheid van 55 km per uur. Ook het maken van lange rakken kan veel schelen. Van vlaag naar vlaag varen is op spots als Strand Horst een kunst op zich. Ook hier kun je je voordeel mee doen: je kunt je speedrun verlengen door aan het eind van je run op topsnelheid toch nog een nieuwe windvlaag eraan vast te plakken. Ook hier geldt weer: hoe hoger de snelheid aan het begin van je 10-seconden-run, hoe hoger de kans op een topsnelheid. Tot slot kan het helpen om tijdens de run in je hoofd vijftien seconden hardop mee te tellen. Vaak komen mensen er thuis bij het uitlezen achter dat de runs net een of twee seconden te kort waren. Jammer.

Gooi los dat achterlijk.
Hoewel het trimmen van je setje een kunst op zich is, is er wel een item dat in belangrijke mate ook je tactiek bepaalt. Om zo ruim mogelijk te kunnen varen heb je veel power nodig. Veel racezeilen hebben tegenwoordig (net als sommige speedsurfers overigens) een enorme ‘buik’: een diep profiel vlak achter de mast net onder de giek. Door het monteren van een trimsysteem kun je die buik in feite aan- en uitzetten. Voor je de run gaat maken, gooi je het zeil achter flink los waardoor je een bak power krijgt. Halve wind varen is dan vaak geen pretje meer, maar zodra je het setje op de snelle ruimwindse koers gooit, merk je dat de power weer afneemt tot handelbare proporties. Die shift van halve wind naar ruime wind met veel power in je zeil vergt overigens wel wat lef maar je zult zien dat het werkt. Het is vergelijkbaar met het inzetten van een gijp in zwaar overpowerde condities. Eenmaal aan het eind van je run gekomen trek je het trimsysteem weer wat aan zodat je een vlakker zeil krijgt waardoor je gemakkelijker weer upwind kunt varen.

Materiaalkeuze is ook tactiek.
Het kiezen van de juiste maten kan veel uitmaken voor je uiteindelijke resultaat. ‘Go big or go home’ geldt voor het GPS speedsurfen zeker niet altijd. Sommigen kunnen ongelooflijk hard gaan met groot materiaal, maar over het algemeen is het zo dat kleiner materiaal sneller is. Dit komt vooral omdat je met klein materiaal minder weerstand hebt en maximaal gebruik kan maken van de hardste vlagen die zich tijdens je surfsessie voordoen. Leuk is dat overigens niet altijd. Bij een USM zie je veel mensen kiezen voor een speedboard van circa 45 tot 50 cm breed met een 6,3 of 5,7 m2 zeiltje terwijl het niet overdreven hard waait. Voor het overgrote deel van de middag staan ze dan in het water te wachten om in een paar harde vlagen een toprun neer te zetten. Deze strategie blijkt meestal wel te werken voor een goed resultaat, maar erg veel kilometers maak je er niet mee. Speedsurfen moet ook een beetje leuk blijven natuurlijk. De meest veilige strategie bij een USM is om eerst een paar goede runs neer te zetten met groter materiaal en vervolgens te gokken om met klein materiaal nog een paar topruns neer te zetten.

Waarschuwing! Kijk altijd goed om je heen of ‘de baan’ vrij is voordat je de ruime speedkoers inzet. Op de meeste surflocaties wordt voor 99% halfwindse koers gevaren waardoor surfers elkaar goed kunnen zien. De extreem ruime GPS-speedkoers is erg afwijkend waardoor de dode hoek in je zeil groot is. Het is eenvoudig om andere surfers over het hoofd te zien waardoor de kans op een aanvaring groot is.

Tips van de experts.
Peter Heida (max 10 seconden run 80,5 km/h) is al jarenlang een bekend gezicht in de speedwereld. Hij kan niet kiezen tussen slalommen of speedsurfen, maar zorgt in beide competities altijd wel dat hij boven in de ranglijsten staat.

Peter heeft een aantal van zijn speedmaatjes gevraagd naar hun gouden tip om een goede speedrun te maken.

(1) Peter de Wit (max 10 seconden run 85,6 km/h) wordt ook wel de Koning van de 10 seconden run genoemd. Hij is al jaren lang onbetwist de snelste GPSspeedsurfer van Nederland door zijn goede vaartechniek en ongeëvenaarde kennis van materiaal.

Tip 1: ‘Voorste arm strekken en wind scheppen. Kromme armen zorgen voor minder druk in het zeil, geef het setjeademruimte.’
Tip 2: ‘Druk opbouwen is koorddansen. Veel surfers gaan te ruig om met de vlagen, dit is juist een vrij precies spelletje van druk opbouw en afbouw. Laat je setje geleidelijk op druk komen en zorg ervoor dat de druk omgezet wordt in snelheid. Dit kun je bereiken door het zeil te openen en dichter te trekken en de hoek ten opzichte van de wind te variëren, druk opbouwen is upwind en druk afbouwen is downwind sturen. Zorg daarbij dat je voldoende bewegingsvrijheid overhoudt om je stance aan te kunnen blijven passen ook als je denkt dat je op topsnelheid zit. Veel surfers knijpen de boel dan teveel af door maximaal te gaan hangen, in een goed opgebouwde run hang je zelden vol aan het tuig.’
Tip 3: ‘Blijf nog even rustig doorglijden nadat de druk uit het zeil weg is. Als je de run vaart en je voelt na enige seconden de druk uit je zeil vallen dan betekent dat dat je op dat moment sneller dan de wind vaart, niet dat de wind op is! Probeer dan juist nog even door te varen, liefst voorzichtig iets oploeven of dezelfde hoek aanhouden ten opzichte van de wind om de druk vast te houden die je nog over heb. De twee tot drie seconden aan het eind van de run waar je gewoon de vlaag uitvaart heb je altijd een hoger gemiddelde dan in de acceleratiefase ervoor waar de druk in het zeil erg groot is.’

(2) Alleskunner Dennis Littel (max 10 seconden run 80,6 km/h) surft op gevoel. Hij is in het bezit van meerdere NK titels op Formula en Slalom en werd in 2008 zonder noemenswaardige voorbereiding tweede op het NK speed achter Peter de Wit.

‘Bouw je run halve wind op en wacht tot dat je een vlaag aan ziet komen om je echt te ‘slingshotten’. Denk nooit dat je al 10 seconden gedaan hebt, blijf in je run geloven en verslap niet! Wanneer je dan nog een extra vlaag krijgt waardoor je een extra push krijgt, knal je hem zomaar nog eens 5 km harder en dat maakt aan het eind net het verschil.’

(3) Na jaren afwezigheid in de windsurfwereld is Jurjen van der Noord (max 10 seconden run 81,6 km/h) weer volop aanwezig. Hij heeft totale toewijding aan het speedsurfen en laat goede resultaten zien.

‘Zorg dat je met het juiste materiaal op het water staat. In de vaak vlagerige wind op de meren moet je power hebben! Ik gebruik graag een groot zeil met een smal board. Ik weet meestal precies waar het water het vlakste is, in de aanloop hier naartoe kijk ik waar de windvlaag zit. Op de plek waar ik de run wil maken begin ik in een vrij lage zitpositie en probeer druk en basissnelheid op te bouwen door niet te snel ruim te gaan. Langzaam maar zeker ga ik rechter op staan en probeer het zeil dicht te houden. Door dit te doen kan ik de vlaag efficiënter omzetten in snelheid. Door geleidelijk ruim te gaan neemt de snelheid toe. Uiteraard is controle en vertrouwen in jezelf en je materiaal daarbij erg belangrijk. Een goede spin-out-vrije vin is daarom essentieel. Welke vin je kiest, hangt af van je vaarstijl.’

(4) Erik Loots (max 10 seconden run 80,2 km/h) behoort tot de snelle jonge garde. Hij richt zich volledig op speedsurfen en houdt een interessante blog bij over speedmateriaal op www.speedsurfingblog.com

‘Een goede speedsurfer heeft geduld. Voor ik een vlaag invaar open ik het zeil een klein beetje, vervolgens probeer ik het zeil druk op te laten bouwen. Dit duurt soms wel drie seconden of langer. Wanneer het zeil echt stevig of vol voelt, ga ik zitten en ‘close-the-gap’ om vervolgens met een slingshot een 10-seconden-run neer te zetten. Voor mij is dit vele malen efficiënter (en dus sneller) dan meteen hard te hangen aan het zeil bij elke vlaag. Soms kan je het herhalen bij een tweede vlaag en dus zo je run verlengen om er nog wat meer uit te persen.’